Heike Renée de Wit studeerde Graphic Design aan ArtEZ en deed een minor in postkoloniale- en genderstudies aan de Universtiteit van Utrecht. Ze* is geïnteresseerd in boeken, subversive publishingen het deconstrueren van de culturele machtsstructuren binnen taal en literatuur. Ze werkt momenteel aan een onderzoeksproject genaamd ‘Paratext Publishing’, dat fictie en academische teksten samenbrengt om de lezer te introduceren tot verschillende postkoloniale en feministische theorie, teksten en kritiek. Door grafisch ontwerp en cureren beoogt ze academisch schrijven en postkoloniale theorie toegankelijk te maken buiten de universiteit, omdat (overblijfselen van) actieve sociale hiërarchieën beter begrepen kunnen worden dan genegeerd –zodat we ons begrip voor en acceptatie van elkaar, onszelf en de wereld opnieuw kunnen bekijken en verbeteren. 

 *Heike gebruikt vrouwelijke voornaamwoorden voor zichzelf en identificeert zich als queer.

 

Heike Renée de Wit is a student graphic design at ArtEZ and followed minor courses in postcolonial- and gender studies at the University of Utrecht. She* has an interest in books, subversive publishing and deconstructing the cultural power-structures within language and literature. She is currently working on a research project titled Paratext Publishing, which brings together novels and academic texts to introduce the reader to various postcolonial and feminist theory, writing and criticism. Through graphic design and curation she aims to make academic writing on postcolonial theory and gender/feminism more approachable and accessible outside the university circuit, as remnants of- and active societal hierarchies are better understood than ignored—as to improve and reframe our understanding and acceptance of each other, ourselves and our earth.

*Heike uses female pronouns for herself and identifies as queer.

Medeplichtige Witheid​

 

“I did not invent racist thought, it is part of the cultural non-consciousness that we all inhabit. One must take responsibility for it, but that is not the same as being responsible, that is, to blame for it,” schrijft Richard Dyer in het eerste hoofdstuk van White, 1997. Aan de hand van Dyer’s statement wil ik een opvoering van een persiflage van een zwarte man door twee witte vrouwelijke studenten bespreken, die plaatsvond in de context van een werkcollege van het vak Gender, Etniciteit en Cultuurkritiek aan de Universiteit Utrecht. Mijn intentie is te beschrijven wat de tussenruimtes van culturele onwetendheid in deze situatie mogelijk inhielden en voortzetten, door toe te lichten hoe de intersectionele assen van gender en etniciteit van zowel het subject als van de geobjectificeerde hier elkaar beïnvloeden, aan de hand van de volgende beschouwing: op welke manier wordt in deze opvoering van een geconstrueerde etnische ‘Ander’ (Said, 1988) een groep aanwezig gesteld door middel van representatie, begrepen als vertretung en dahrstellung(Spivak, 1985). Hierna wil ik ook een inleiding geven op een idee van medeplichtigheiden een vergelijking trekken met relatiestructuren als toepasbaar op mannelijkheid (Cornell, 1995) en de door Gloria Wekker geformuleerde onschuld (2016),hetgeen allen een rol speelt wanneer racistisch vertoon zich voordoet, met name in ruimtes waar er niemand van kleur zelf vertegenwoordigd is. Het is dan ook niet mijn intentie om voor een groep te spreken waarvan niemand aanwezig was, maar om zelf een medeplichtige en medeverantwoordelijke positie in te nemen vanuitde groep die er wel was.

 

In een groepspresentatie tijdens de werkgroep van Gender, Etniciteit en Cultuurkritiek aan de Universiteit Utrecht afgelopen oktober, werd de film White Chicks (2001) besproken, waarin twee zwarte mannen twee witte vrouwen uitbeelden. Naar aanleiding hiervan discussieerden we de specificiteit van de afgebeelde tekens en hun betekenisgeving en de vraag of en wat er aan de betekenis zou veranderen als een witte man een zwarte vrouw zou uitbeelden. Het merendeel was het eens met een verandering in betekenis wanneer de etniciteiten omgedraaid zijn,  maar om te illustreren wat die verandering inhield hadden de leden van de presentatiegroep een opdracht bedacht waar een witte vrouwelijke en een witte mannelijke medestudent respectievelijk een zwarte man en een zwarte vrouw trachtten uit te beelden. Ik verstijfde en wist niet meer waar ik naar moest kijken, maar zei er niets van. Ik wenste dat een luik zich opende onder mijn stoel zodat ik uit deze situatie kon verdwijnen. Niemand leek initieel gewillig deze opdracht uit te voeren, maar toen stak een meisje toch haar hand op. Vanuit de groep die de opdracht gaf klonk het “Is er verder geen man stoer genoeg om zich ook aan te melden?” Er gebeurde niets, tot uiteindelijk nog een meisje haar hand op stak. Samen bewogen ze zich ongemakkelijk voor de klas en opperden dan maar twee zwarte mannen te spelen, nadat één van hen zichzelf tevergeefs in een rare kronkel bewoog om de vermeende grootte van de billen van een zwarte vrouw te benadrukken. In een poging tot zelfspot voegde ze eraan toe dat zij als witte vrouw gewoon niet zoveel achterwerk had. Ik lachte, maar dit blijft een grap over een wit lichaam ten koste van een gegenderd stereotype over een zwart lichaam. Vervolgens in de rol van twee zwarte mannen, leunden de meisjes wat naar achter terwijl ze over seks met ‘chickies’ en drugsdealen spraken en één de ander aansprak met de wijds bediscussieerde geuzennaam n*****.[1]

         Tijdens de discussie die volgde op de uitbeelding van twee ‘zwarte mannen’ werd door een van de meisjes benadrukt dat zij een bepaald dominant idee van een zwarte man had willen verbeelden, ter illustratie, en dat ze er zelf ‘natuurlijk’ niet zo over dacht. Ook werd er uitgesproken dat het verschil in betekenis zich voornamelijk schaart onder de huidige en verleden machtsverdeling, waar wanneer de gemarginaliseerde groep de dominante groep belachelijk maakt er hooguit een meer gelijkwaardige machtsverschuiving plaatsvindt, maar waar een dominante groep een gemarginaliseerde groep belachelijk maakt de dominante groep machtsverhoudingen in stand houdt of nog ongelijker trekt. Zo ook nu, wat ik in de volgende paragraaf zal toelichten aan de hand van het werk van Edward Said en Gayatri Spivak. Verder werd er vanuit de werkgroepbegeleider de vraag gesteld of deze performance ook opgegeven en uitgevoerd zou zijn in een niet geheel witte samenstelling. De presentatoren gaven aan dat ze juist vanwege de witte samenstelling de keuze gemaakt was om het wel te opperen, omdat we onderling van elkaar zouden begrijpen dat we niet racistisch waren. Precies dit idee van een soort onschuldige ‘witte safe space’ wil ik vergelijken met het fenomeen ‘locker room talk’[2]in werking bij medeplichtige mannelijkheid; dit zijn ruimtes waar men ongeacht zijn uitingen niet als bevooroordeeld zou worden beschouwd en waar er geen verantwoording wordt verwacht voor bevooroordeelde uitspraken of daden. Echter speelde dit zich af in een klaslokaal, waar mensen zich, zoals in elke ruimte, wel verantwoordelijk op moeten stellen voor hun handelen. Aan deze verantwoordelijkheid poog ik door dit essay bij te dragen. 

 

Edward Said publiceerde Orientalismin 1978 en beschrijft hierin ‘Oriëntalisme’ als de som van representaties van ‘de Orient’ –de verzamelnaam voor de voormalig gekoloniseerde gebieden–door het Westen, om de Westerse identiteit mee te construeren aan de hand van binaire en gegenderde tegenstellingen.[3]De ‘Ander’ wordt gevormd door deze Oriëntalistische representaties, die onder andere inhouden dat de Orient onveranderlijk is[4], ook wel als permanent primitief wordt beschouwd; de Orient zou bizar en daardoor irrationeel zijn, wat de afspiegeling van het Westen als zijnde rationeel veroorzaakt; Oriëntalisme homogeniseert  specifieke menselijke karakteristieken, wat stereotypes veroorzaakt; de stereotypering van Oriëntalisme is onder andere gegenderd, waar het een gefeminiseerde passieve, of gewelddadige wilde zwarte man als antithese tegen de dappere, kalme witte man stelt en een exotische, geseksualiseerde zwarte vrouw als antithese voor de passieve, pure witte vrouw; ook de Orient als geheel werd als feminien –passief, verleidelijk, onderdanig– afgebeeld tegenover het masculiene –actieve, rationele, dominante– Westen. Aan de hand van deze aannames op basis van observaties door Westerse kolonisators, gehomogeniseerd tot stereotypes en waarheid-claims, vergoelijkte Oriëntalistisch gedachtegoed het idee dat de Orient geciviliseerd achtte te worden door het Westen.[5]

         Aan de hand van deze beschrijving van Oriëntalisme wil ik aankaarten hoe de hiervoor beschreven opvoering van een etnische ‘Ander’ ook inherent een gegenderd element inhoudt. De opvoering van de zwarte man was in de eerste plaats geseksualiseerd op een manier die de onderlinge waarde van seks met wederom geseksualiseerde vrouwen benadrukte en hiermee een etnisch alsook een mannelijk stereotype uitdrukt en gelijktijdig in stand houdt. Dit verhoudt zich mogelijk ook tot een verbeelding van een hegemoniaal mannelijke norm waar een man vanuit het biologisch-deterministisch gedachtegoed geacht wordt zijn zaad zo verdeeld mogelijk te verspreiden. Verder werd er een gecriminaliseerde ‘Ander’ gerepresenteerd door de referentie aan drugshandel, die onder andere een gedachtegoed van de immoraliteit van de ‘Ander’ benadrukt en in de maatschappij vaak functioneert als een self-fulfilling prophecy, waar ik door de ruimte die deze essay permitteert niet in verdere diepgang op in zal gaan. Door de interpretatie van zowel het gegenderde als de stereotypen die met etniciteit te maken hebben, gaf ik een impliciet intersectionele analyse van de uitbeelding van de etnische ‘Ander’. Echter wil ik voor het resterend deel van dit essay expliceren wat intersectionaliteit inhoud, namelijk het stellen van ‘de andere vraag’; waar het hier in eerste instantie om etniciteit lijkt te gaan, speelt gender zoals hiervoor beschreven ook een rol in het co-constureren van de belichaamde en uitgebeelde identiteit.[6]

         Aan de hand van deze opvoering werd de etnische ‘Ander’ gerepresenteerd gebaseerd op de hiervoor genoemde stereotypes. Hier wil ik beschrijven wat een dergelijke representatie inhoudt op het gebied van het aanwezig stellen van een gemarginaliseerde en in onze klas niet als belichaamd vertegenwoordigde groep. Gayatri Spivak beschreef in haar essay “Can the Subaltern Speak?” uit 1985 representatie als zijnde opgebouwd uit twee samenwerkende mechanismen: de vanuit het Duits genomen verdeling verwoord door Karl Marx, vertretung en dahrstellung. Spivak past deze medeplichtige vormen van representatie echter toe op haar beschrijving van de representatie van de ‘subaltern’ door het Westen.[7]Vertretung duidt een vertegenwoordiging aan die kan worden verbonden aan een politieke vorm van vertegenwoordiging door middel van een woordvoerder voor een groep. In dit geval gebeurde dit door witte vrouwen die vanuit eigen belangen (illustratie van verschil en aannames) voor zwarte mannen spraken, en hierbij geen gehoor gaven aan belangen en gewenste representatie vanuit de gerepresenteerde groep zelf.[8]Dahrstellungduidt een verbeelding aan, in dit geval als aangereikt vanuit een Oriëntalistisch gedachtegoed zoals ik hiervoor heb beschreven. Ook hier wordt de ‘Ander’ dus niet verbeeld door middel van elementen en wijzen geformuleerd of gecreëerd door de gerepresenteerde groep zelf._Hierdoor werd de etnische ‘Ander’ aanwezig gesteld op een wijze die stereotypes en hiermee hegemoniale ongelijke machtsverhoudingen tussen witte en zwarte mensen in stand hielden, en geen nieuw perspectief boden in het creëren van een gelijkwaardiger maatschappelijke verhouding –hetgeen feminisme naar streeft, en waarvoor het vak Gender, Etniciteit en Cultuurkritiek als voedingsbodem en bron van educatie dient. 

 

De algeheel witte samenstelling van de groep, en de gelegde nadruk hierop als ‘veilige ruimte’ wanneer de geopperde uitbeelding van zwarte mensen werd bekritiseerd, wil ik bespreken aan de hand van een vergelijking met de door Raewyn Connell beschreven ‘hegemoniale mannelijkheid’ en ‘medeplichtige mannelijkheid’,waarmee ik de huidige ‘hegemoniale witheid’ en corresponderende ‘medeplichtige witheid’ wil duiden.Liedeke Plate zet Connell’s conceptie van mannelijkheden uiteen in het Handboek Genderstudies, en beschrijft hoe Connell naast ‘hegemoniale mannelijkheid’ drie andere relaties duidt. Deze zijn: dominantie/ondergeschiktheid, medeplichtigheid en marginalisatie/autorisatie. Waar bijvoorbeeld de relatie tussen hetero- en homoseksuele mannen een respectievelijk dominante en ondergeschikte relatie aanduidt en zwarte mannen een gemarginaliseerde positie in de Westerse maatschappij hebben.[9]Hegemoniale mannelijkheid ontleent de term ‘hegemonie’ aan Antonio Gramsci, die deze omschrijft als een “overwicht bereikt door cultuur, instituties, en overreding, niet een heerschappij door bruut geweld.”[10]Deze term acht ik hierdoor ook toepasbaar op witheid, waar deze in de tegenwoordige Nederlandse maatschappij voornamelijk in stand wordt gehouden op culturele en institutionele wijze (echter niet zonder gewelddadige uitzonderingen[11]). Met hegemoniale mannelijkheid wordt een aan een tijdgeest en locatie gebonden, sociaal en cultureel dominant mannelijkheidsideaalbedoeld.[12]

         Wat de ‘hegemoniale witheid’ inhoudt zal ik aan de hand van Gloria Wekkers begrip van ‘witte onschuld’ bespreken. Wekker schrijft: “Onschuld heeft naar mijn inzicht een bijzondere klank in de Nederlandse context, niet alleen omdat ‘onschuld’ zo’n gekoesterde zelfbeschrijving is, maar ook omdat deze past bij een keten van andere associaties die er in sterke mate mee worden geïdentificeerd.”[13]Deze associaties houden onschuld in als begrepen door de christelijke religie, waarvan Wekker verklaart dat ondanks het secularisme de christelijke kijk op de wereld niet is vergaan[14]; een associatie van onschuld met het klein zijn van ons land of als van een kind; de vrouwelijke connotatie met onschuld als iets wat beschermd moet worden, passief maar liefhebbend is.[15]Wat Wekker als vierde en vijfde punten benoemt, zal ik beschrijven als voortvloeiend aan de voorgaande associaties met onschuld, namelijk dat het eigen geloof in onschuld de mogelijkheid geeft om zich totaal racistisch uit te spreken en vervolgens te zeggen dat dit niet als zodanig bedoeld werd. Verder trekt Wekker dan ook de vergelijking tussen onschuld en onwetendheid, met de dubbele interpretatie van het niet-weten en het niet-willen-weten[16], ook wel aanwezig in de Engelse vertaling ignorance, en benadrukt de mate waarop loochening en ontkenning van racisme kan worden omschreven als het agressief verwerpen van de mogelijkheid om te weten.[17]De Nederlandse ‘hegemoniale witheid’ wil ik dan ook omschrijven als een van vastberaden onschuld, als omschreven door Gloria Wekker. Deze notie van onschuld werd expliciet gekenmerkt toen een van de studentes, zoals hiervoor beschreven, aangaf dat haar racistische uitbeelding, er ‘uiteraard’ niet van getuigde dat zij er zelf zo over dacht. Zo ook getuigt ‘hegemoniale witheid’ als onschuld van een na te streven ideaal, waar men moeilijk werkelijk aan voldoet door onze inherent verweefde historie met imperialisme en blootstelling aan racistische tekens zoals zwarte piet. Ook wanneer ‘hegemoniale witheid’ wordt begrepen als het koesteren van superioriteitsgevoelens, die we door middel van onschuld blijven ontkennen, is dit een ideaal dat continu moet worden herbevestigd. Er schuilt echter ook een notie van onschuld in het niet actief handelen ter voorkoming van de opvoering van de racistische stereotypes, daarom wil ik vervolgens toelichten wat ‘medeplichtige witheid’ inhoudt. 

         Medeplichtige mannelijkheid houdt een genderpositie in die niet gelijkstaat aan hegemoniale mannelijkheid, maar er wel van profiteert door er de macht aan te ontlenen door anderen buiten te sluiten die (ook) niet aan het ideaalbeeld voldoen.[18]‘Medeplichtige witheid’ is dan ook een positie, net als bij medeplichtige mannelijkheid, waarin de meeste van de mensen zich bevinden, aangezien de hegemoniale witheid als onschuld een ideaalbeeld inhoudt waar geen enkele witte Nederlander werkelijk aan voldoet. Al helemaal niet wanneer we hegemoniale witheid als superioriteit beschouwen, waar niemand ooit intrinsiek superieur is aan een ander (alleen als zijnde gedefinieerd door gedachtegoed). Deze gevoelens van onschuld en superioriteit, ofwel hegemoniale witheid, worden dus in stand gehouden door medeplichtige witheid wanneer deze participeren in, of het ‘onschuldig’, passief toestaan van uitsluitingsmechanismen waardoor er collectief van hegemoniale witheid geprofiteerd blijft worden, en deze in stand gehouden blijft. Deze medeplichtige witheid vond plaats wanneer niemand zich uitsprak tegen de opdracht een zwarte man en vrouw uit te beelden, en wanneer deze vervolgens niet nadrukkelijk werd afgekeurd als zijnde een intrinsieke voorzetting van racistisch gedachtegoed. Hieruit blijkt duidelijk hoe onderhevig wij zijn aan de hegemoniale witte onschuld, aldus Wekker: “Het gebruik van het r-woord in een Nederlandse context is als het betreden van een mijnenveld.”[19]Hoewel wij niet verantwoordelijk zijn voor onze hegemoniale witheid, zijn we wel verantwoordelijk voor ons eigen streven ernaar of verzetten ertegen, wederom poog ik met dit essay mijn verantwoordelijkheid actief te nemen en betoog ik spijt aan alsook een poging tot het vorderen van mijn bewustzijn van mijn medeplichtige witheid.

 

In dit essay besprak ik de opvoering van twee zwarte mannen door twee witte vrouwen in de context van een presentatie tijdens het werkcollege van het vak Gender, Etniciteit en Cultuurkritiek en beargumenteerde aan de hand van het concept ‘Orientalisme’ (Said, 1978) hoe deze uitbeelding een etnische ‘Ander’ creëert alsook in stand houdt; aan de hand van representatie als uiteengezet door Spivak in termen van vertretung endahrstellung, de vormen van representatie van de zwarte man in het uitbeelding hiervan; hoe de witte samenstelling van de groep zich verhield tot de geformuleerde concepten ‘hegemoniale witheid’ en ‘medeplichtige witheid’ aan de hand van Gloria Wekker’s Witte Onschuld, en Raewyn Connell’s theorie van hegemoniale- en medeplichtige mannelijkheid. Dit essay bevindt zich in een veel breder cultureel archief (Wekker) waarin de herhaaldelijke opvoering van zwarte mensen door witte mensen, zoals zwarte piet, zich in afspeelt, terwijl ook de universiteit als kennisinstituut zich al eeuwen een dergelijke stereotypering van ‘Anderen’ permitteert –waar vakken zoals onder andere Gender, Etniciteit en Cultuurkritiek alsook andere genderstudies en postkoloniale vakken hier gaandeweg verantwoording voor afleggen. Gezien mijn eigen witte privilege en het feit dat ik momenteel deel van deze faculteit uitmaak, zal ik daar dan ook actief aan blijven werken.

 

[1]Lydienne Albertoe confronteert de kijker in haar afstudeer werk The Feeling of Othernessmet een scherpe opmerking toepasselijk op de Nederlandse variant, “In Nederland zijn twee dingen heilig, zwarte piet en het woord ‘neger’.” Lydienne Albertoe, The Feeling of Otherness, multimedia installatie, ArtEZ Arnhem, 2018. http://www.lydiennealbertoe.com/projects/the_feeling_of_otherness.html

[2]zoals het beroep op ‘locker room talk’ dat president van de Verenigde staten, Donald Trump deed wanneer geconfronteerd met het seksisme van zijn uitspraken: CNBC, “Trump: This is locker room talk”, 9 oktober, 2016. https://www.cnbc.com/video/2016/10/09/trump-this-is-locker-room-talk.html

[3]Edward Said, Orientalism(New York: Pantheon Books, 1978), 1-3.

[4]Ibid, 96.

[5]John Mcleod, Beginning Postcolonialism, geëdit door Peter Berry, Helen Carr (Manchester: Manchester University Press, 2010), 52-55.

[6]Gloria Wekker, “De Grens als Strijdtoneel: Gloria Anzaldúa, Intersectionaliteit en Interdisciplinariteit” in Handboek Genderstudies,geëdit door Rosemarie Buikema en Liedeke Plate (Bussum: Uitgeverij Coutinho, 2015), 102.

[7]Deze en opvolgende definities van vertretung en dahrstellung: Gayatri Spivak, “Can the Subaltern Speak?” in Marxism and the Interpretation of Culture, geëdit door Cary Nelson, Lawrence Grossberg (Houndmills: Macmillan Education Ltd, 1988)

[8]Rosemarie Buikema, “De verbeelding als Strijdtoneel: Sarah Baartman en de Ethiek van Representatie” in Handboek Genderstudies,geëdit door Rosemarie Buikema en Liedeke Plate (Bussum: Uitgeverij Coutinho, 2015), 115-116.

[9]Liedeke Plate, “Mannelijkheid als strijdtoneel: William Stoner en Mannenstudies” in Handboek Genderstudies, geëdit door Rosemarie Buikema en Liedeke Plate (Bussum: Uitgeverij Coutinho, 2015), 169-172.

[10]Ibid, 170.

[11]Nederland Wordt Beter, “Gewelddadige Arrestatie Jerry Afriyie Tijdens Protest tegen Zwarte Piet in Rotterdam 2016”, YouTube, 13 november, 2016 https://www.youtube.com/watch?v=0W1lXARD4Js

[12]Plate, Handboek Genderstudies, 170.

[13]Gloria Wekker, Witte Onschuld (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2016), 29.

[14]zie ook: Eva Midden, “Religie als strijdtoneel: Malala en het hedendaags feminisme” in Handboek Genderstudies, geëdit door Rosemarie Buikema en Liedeke Plate (Bussum: Uitgeverij Coutinho, 2015), 39-52.

[15]Wekker, Witte Onschuld, 30-31.

[16]Ibid, 31.

[17]Ibid.

[18]Plate, Handboek Genderstudies, 171-172.

[19]Wekker, Witte Onschuld, 32.